In mijn Verhalenatelier deel ik af en toe woorden die ontstaan tijdens het schrijven. Gedachten, fragmenten, verhalen in wording. Soms zijn het woorden die helpen om iets te begrijpen. Soms zijn het verhalen die nog onderweg zijn. En soms is het gewoon stilte, tot er weer iets wil ontstaan.
Dit is geen nieuwspagina en geen overzicht van activiteiten. Het is een plek waar taal mag ademen. Ik schrijf hier wanneer het klopt.
Je mag meelezen.
Verhaal: De wind die met je meedenkt
Zonder dat ze precies wist hoe, stond Maya weer in het huis, met het gevoel dat ze ergens was geweest. Ze was even in de war. Wat was hier nu allemaal gebeurd. Ze besloot om even de frisse winterlucht op te zoeken en naar buiten te gaan.
Maya trok haar vest wat dichter om zich heen toen ze de deur achter zich sloot. De lucht was fris, alsof de regen alles had schoongeveegd. Het rook naar nat hout en dennennaalden. Naar buiten.
Ze bleef even op het houten bordes staan. Haar adem maakte kleine wolkjes en de kou op haar wangen voelde echt. Ze kneep zichzelf even zachtjes. Ja, ze was hier echt. In de verte hoorde ze haar familie beneden in het huis. Gelach. De stem van haar vader. Het hoge geluid van haar zusje dat per se iets wilde laten zien.
Het was niet vervelend. Het was alleen… veel. Maya hield van hen. Echt. Maar het was alsof haar hoofd geen ruimte meer had om al die geluiden, woorden, blikken en bewegingen tegelijk te verwerken.
Op vakantie was alles anders. Nieuwe kamers. Nieuwe geuren. Nieuwe plekken. Nieuwe plannen. En zelfs als je iets leuks deed, kwam het bij haar binnen alsof het ook nog ergens opgeborgen moest worden. En eigenlijk ook alsof er nog iets mee moest.
Het voelde alsof haar binnenwereld een kast was die al vol hing, en er elke dag nog tien jassen bij kwamen die ook een plek moesten hebben.
Daarom was ze steeds naar de zolder gegaan, besefte ze nu. Niet om weg te zijn van haar familie, maar om even weg te zijn van het gevoel dat ze zichzelf kwijtraakte zodra ze weer in het gewone ritme moest meedoen. Ze had die plek nodig waar niets van haar werd gevraagd. Waar niemand iets van haar wilde, ook niet met liefde. Ze stapte van het bordes af. Het grind kraakte onder haar schoenen. Ze liep het pad op dat langs het huis naar beneden slingerde.
De bomen stonden stil. Tenminste, dat dacht ze. Toen streek er een windvlaag langs haar wangen. Zacht. Kort. Alsof iemand haar even aanraakte om te zeggen: hier.
Maya bleef staan. Dat gevoel kende ze. Dat er iets langs haar heen ging wat niemand anders leek te merken. Op school was dat geen wind, maar druk. Als je een lokaal binnenliep en het leek alsof er al honderd onzichtbare draadjes aan je trokken. Je moest opletten. Je moest stil zijn. Je moest snel zijn. Je moest weten wat je moest doen voordat iemand boos werd. Je moest je werk af hebben. Je moest niet te langzaam zijn. Niet te gevoelig. Niet te stil. Niet te veel. En als je dan gewoon even wilde ademen, was er meestal niet echt ruimte.
Maya was niet dom. Integendeel. Ze begreep dingen vaak sneller dan andere kinderen. Maar dat was juist het probleem: ze begreep te veel. Ze hoorde de zuchten van de juf. Ze zag de spanning in de schouders van een klasgenoot. Ze voelde wanneer iemand deed alsof hij lachte maar eigenlijk boos was. Ze wist al voordat iemand iets zei, welke kant een gesprek op ging. Dat gaf haar soms het gevoel dat ze een soort radar had die nooit uit kon. En als je radar nooit uit kan, raak je jezelf kwijt, dacht ze wel eens. Niet in één keer. Maar beetje bij beetje. Je gaat steeds meer denken in plaats van voelen. Je gaat steeds vaker je mond houden, omdat je niet zeker weet of je woorden wel welkom zijn. Je gaat steeds vaker doen alsof je het wel redt. Je lacht op de juiste momenten. Je knikt. Je doet je werk. Je probeert je niet aan te stellen. En ergens, heel diep vanbinnen, wordt het stiller. Maar niet de fijne stilte. De stilte waarin je jezelf niet meer hoort. En elke keer schoof ze een klein stukje van zichzelf opzij om erbij te blijven horen.
Maya liep verder. Het pad boog langs een groep bomen. Tussen de stammen door lag het water, zag ze. Donker en spiegelend. De bergen stonden erachter, groot en stil.
Maya’s hoofd werd hier rustiger. Niet omdat er niets was, maar omdat niets haar duwde. Bij een bocht bleef ze staan. Aan de rand van het water zat iemand. Iemand die daar leek te horen, alsof die plek speciaal voor haar was gemaakt. De persoon zat stil. De mantel bewoog mee met de wind. Het haar viel los langs de schouders. Maya kon niet goed zien of het licht of donker was. Ze voelde het meteen: die hoort bij hier.
Maya aarzelde. Ze kon omkeren. Terug naar het huis. Terug naar binnen. Maar iets in haar borst werd warm. Het was een fijn gevoel.
‘Eh… hoi,’ zei ze. De persoon keek op. De wind werd even rustiger, alsof ook hij luisterde. ‘Je bent buiten,’ zei ze. Haar stem was zacht. Niet kinderachtig. Niet streng. Gewoon rustig. ‘Ja,’ zei Maya. ‘Goed zo.’ Maya fronste. ‘Goed zo?’ De vrouw glimlachte een beetje. ‘Je lijf wilde hierheen. En je bent gegaan.’ Maya wist niet goed wat ze moest zeggen. Ze voelde zich gezien, maar niet bekeken. ‘Wie ben jij?’ vroeg ze. ‘Ik ben Solea,’ zei ze. ‘Solea Stilwind.’
Het woord Stilwind bleef hangen in de lucht. ‘Dat is geen echte achternaam,’ floepte Maya eruit. Solea leek niet boos te zijn om haar opmerking. ‘Dat denken meer mensen,’ zei ze. ‘Tot ze merken dat het klopt.’ Maya keek naar de mantel die meebewoog met de wind. ‘Ben jij… echt?’ Solea bukte zich, pakte een grasspriet en liet die door haar vingers glijden. ‘Wat voelt echt voor jou?’ vroeg ze.
Maya dacht aan de zolder. Aan het schrift. Aan woorden die verschenen zonder dat ze wist hoe. Aan de gang. Aan de stilte die terug fluisterde. Aan het dagboek dat woorden liet verschijnen op een lege bladzijde.
‘Ik weet niet wat ik allemaal zie en voel,’ fluisterde ze. ‘Dat is eerlijk,’ zei Solea. ‘Eerlijkheid is een begin.’ Maya ging op een steen zitten, niet te dicht bij Solea, maar ook niet te ver weg. Het water kabbelde zacht. Er dreven kleine stukjes ijs aan de rand. Ze zag haar eigen spiegelbeeld even, maar het trilde door de wind. ‘Waarom ben je hier?’ vroeg Maya? Solea keek naar het water. ‘Omdat jij even niet meer wist waar je moest zijn,’ zei ze. ‘En omdat je toch bent gegaan.’
Maya voelde een brok in haar keel. Ze wilde zeggen dat het wel meeviel. Dat het niet zo dramatisch was. Dat ze gewoon moe was. Maar die woorden voelde ze niet als waarheid. Ze slikte. ‘Mijn hoofd stopt nooit,’ zei ze. ‘En dan weet ik niet meer wat van mij is.’
Solea knikte. ‘Dat gebeurt vaak bij kinderen die goed kunnen voelen,’ zei ze. ‘En bij kinderen die lang moeten zitten in ruimtes waar hun lijf wil bewegen. En bij kinderen die veel moeten presteren, terwijl hun hart iets anders vraagt. En dan is het de hoogste tijd om weer te voelen.’ ‘Maar ik ben nog jong,’ zei Maya. ‘Waarom denk ik dan zulke grote dingen? Dat is toch raar?’
Solea schudde haar hoofd. ‘Het is niet raar,’ zei ze. ‘Het is schrijnend dat zo veel kinderen denken dat het raar is.’ Maya keek op. ‘Schrijnend?’ Solea’s ogen waren zacht, maar haar stem werd iets steviger. ‘Omdat kinderen niet bedoeld zijn om zich gevangen te voelen,’ zei ze. ‘En toch voelen veel kinderen dat wel. Ze voelen zich gevangen in een systeem dat niet altijd past. Te veel regels, te weinig ruimte, te weinig stilte. En dan gaan ze zichzelf anders voelen.’ Solea keek Maya aandachtig aan, alsof ze haar woorden even rustig neerlegde. ‘Sommige kinderen merken meer,’ zei ze. ‘En dat is niet verkeerd. Maar het is wel lastig als niemand je laat zien hoe je daar mee om kunt gaan.’ Maya voelde kippenvel op haar armen. Solea gaf woorden aan iets wat Maya al zo lang voelde en nooit hardop had durven zeggen. ‘Op school is het alsof ik altijd achterom moet kijken,’ zei Maya opeens. En ze schrok omdat ze precies die zin zei die Lucy in haar dagboek had geschreven. ‘Of ik het wel goed doe. Of ik niet iets fout heb gedaan zonder dat ik het weet.’ Solea keek haar aan, alsof ze die zin in haar handen woog. ‘Dat is een zware manier om kind te zijn en om mens te zijn,’ zei ze.
Maya slikte. ‘Ik wil gewoon…,’ begon ze, ‘ik wil gewoon dat iemand zegt dat het goed is wat ik doe en wie ik ben. Dat ik niet steeds hoef te bewijzen dat ik het waard ben.’ Solea boog zich iets naar voren. ‘Dat kan ik zeggen,’ fluisterde ze. ‘Maar nog belangrijker: jij kunt het leren voelen.’ Maya keek haar aan. ‘Hoe dan?’ Solea stak haar hand uit, palm omhoog. ‘Kom,’ zei ze. ‘We lopen een stukje.’
Ze stonden op en begonnen langs het water te lopen. Langzaam. De wind speelde om hen heen. Soms in Maya’s gezicht. Soms in haar rug. ‘De wind is niet jouw vijand,’ zei Solea plotseling. ‘Jij hebt geleerd dat alles wat je uit balans brengt gevaarlijk is. Maar sommige dingen brengen je uit balans omdat ze je wakker maken. De wind wil je niet omverblazen, hij wil je wakker houden.’
Maya dacht aan momenten waarop ze boos werd. Of juist heel stil.
‘Soms raak ik helemaal in de war,’ zei ze. En dan word ik soms…’ Maya zocht een woord, ‘druk. Of boos. Of stil.’ ‘Dat is je lijf dat iets probeert te vertellen,’ zei Solea. ‘Niet dat je fout bent of het fout doet. Maar dat je grens bereikt is. Gevoelige kinderen zijn niet zwak. Ze zijn afgestemd. Alleen heeft bijna niemand hen geleerd hoe je met die afstemming omgaat.’
Dit verhaal is onderdeel van het ebook: Het geheim van het oude schrift. Wil je verder lezen? Download dan het gehele ebook in de webshop.
Verhaal: Holly Holiday en de twaalf nachten
Holly Holiday hield van de tijd tussen kerst en nieuwjaar. De dagen die niet echt ergens bij horen.
De nachten waarin de wereld even zachter lijkt te ademen.
Ze wist dat dit geen gewone nachten waren. Het waren de twaalf heilige nachten, nachten waarin de sluier dun is
en het nieuwe jaar zich al voorzichtig laat voelen.
Elke nacht droeg een fluistering in zich. Geen voorspelling, maar een richting. Geen opdracht, maar een uitnodiging.
Holly bleef wakker bij het vuur. Niet om te zoeken naar antwoorden, maar om te luisteren.
Ze wist: wie stil genoeg durft te worden, hoeft niets te forceren.
In deze nachten hoefde ze niets te verbeteren. Ze hoefde niet vooruit te kijken en ook niet terug.
Ze liet elke nacht gewoon binnenkomen. Zoals ze was. Met alles wat ze meebracht.
En misschien, dacht Holly, is dat wat deze nachten werkelijk vragen:
dat je jezelf niet meeneemt als project,
maar als aanwezigheid.
Dat je niet probeert te worden wie je denkt te moeten zijn,
maar even blijft bij wie je al bent.
De twaalf nachten gingen voorbij. Niet met grote antwoorden, maar met iets wat dieper lag.
Rust.
Richting.
Een zacht vertrouwen dat het nieuwe jaar haar wel zou vinden.